De novelle van de Israëlische schrijver S. Yizhar laat ons kijken door de ogen van één van de soldaten. We zien hoe er onder zijn kameraden een nietsontziend haat jegens de Arabische bevolking bestaat.

‘Hou toch op over die Araboesjiem – het zijn geen mensen,’ antwoordde de radiotelefonist.

Het verhaal brengt indringend in beeld hoe angstig de bevolking van het Arabische dorpje is. Althans, de achtergebleven bevolking – er zijn al mensen gevlucht. Wie er nog zijn, zijn de ouderen en kwetsbaren. Maar ze worden zonder enig mededogen gedeporteerd en hun huizen opgeblazen. De huidige kleinerende praktijken in Israël waren er dus vanaf het begin.

‘Goed,’ zei de oude man, ‘goed, we gaan’ en hij maakte een lichte buiging, met een onderdanigheid die een zielsangst benaderde, en liep enkele stappen achteruit, ‘we gaan… ja, chawaadzja’ en hij bleef weer staan en probeerde nog een laatste keer iets te zeggen.

De schrijver tekent de getroffen bevolking met een groot mededogen. Hij laat het verbijsterende onrecht dat de slachtoffers wordt aangedaan in al zijn naaktheid zien. Dat het een Israëlische soldaat was door wiens ogen wij kijken én dat het autobiografisch is, maakt het nog aangrijpender. ‘Alles wat ik beschreven heb… is helaas realiteit,’ zo schreef Yizhar later. Het echte dorpje heette Chirbet al-Chisaas.

Bij de hoofdpersoon ontstaan gaandeweg twijfels over wat hen is opgedragen. Maar zijn weerstand is zwak en moet het afleggen tegen de onwankelbare overtuiging van zijn medesoldaten.

‘Luister naar wat ik je zeg.’ Zijn ogen zochten de mijne. ‘Naar dit Chirbet huppeldepup komen straks nieuwe Joodse immigranten, hoor je, en die nemen hier het land in bezit en gaan het bewerken, het wordt hier prachtig!’