Inmiddels weten we het: het is een eeuwenoude gewoonte. Ze stamt al uit de Middeleeuwen toen de kerkklokken op veel plaatsen het zogenaamde Angelus luidden. Het was bedoeld om structuur te geven aan de dag en om korte momenten van bezinning in te lassen. Het Angelus is de naam van een gebed.

Later werden de klokken ook het polshorloge van de boeren. In de wijde omtrek werden ze het signaal om successievelijk aan het werk te gaan, te gaan schaften en om het werk van de dag af te ronden. De laatste klok werd ook wel de ‘papklok’ genoemd: tijd om pap te gaan eten.

De kerkklokken van de Laurentius geven voor de dorpsbewoners allang niet meer de structuur van de dag aan. Integendeel, ’s morgens zoeven auto’s massaal het dorp uit om hun bestuurders te brengen naar de snelweg die leidt naar Rotterdam en Rijnmond waar tijd geld is. Daar regeert de agenda. Snel, snel, snel. De 24 uurs-economie, u weet wel. De lichten in de Botlek gaan nooit uit.

Maar voor pensionado’s zoals ik, die achterblijven in het dorp, vormen de klokken nog steeds een boodschap. Een boodschap van ritme. De dag is een golfslag. Wie ernaar luistert heeft een andere tijdsbeleving: die van het agrarische leven.

Ik bedoel natuurlijk niet dat de mensen het vroeger minder druk hadden. Het werk op het land vroeg veel, met name van het lichaam. De dagen waren – vooral ’s zomers – lang. En de wijdverspreide armoede gaf natuurlijk ook stress, al kenden ze toen het woord nog niet. Maar het leven was meer in- en uitademen. En bovendien (denk aan dat Angelus) was de tijd ingebed in een spiritualiteit die een accent van eeuwigheid op het leven zette.

Ik zal niet zeggen dat ik alle dagen afstem op de klokken van de Laurentius. Als de papklok luidt, heb ik mijn ‘pap’ allang achter de kiezen. En vaak genoeg leef ik er ook om 8 en 12 uur langs heen. Maar met een zekere regelmaat dringen ze door mijn drukdoenerij heen en hoor ik de boodschap: zet uit, zet uit, zet jezelf nu even uit.

En de kerktoren wijst voorzichtig naar omhoog.