Dit is een recensie van verreweg het belangrijkste boek dat ik dit jaar las. De Amerikaanse dichter Christian Wiman groeide op in een orthodox maar verknipt milieu, gekenmerkt door een overmaat aan geweld. Het maakte hem tot een verkreukeld mens en zorgde ervoor dat het meegekregen geloof op volwassen leeftijd in hem wegzakte. Hij werd agnost en koos voor een eigen overlevingsstrategie: hij werd dichter. Maar terugkijkend ziet hij nu dat de poëzie de weg was waarover het geloof in hem kon overleven.
We zijn een week in Noord-Groningen. Voor mij is dat de streek van de dichter C.O. Jellema. Hij woonde er en schreef er menig gedicht over. Zo’n week Noord-Groningen is dan een kans: ik zette een literaire bedevaart op het programma.
Bijna gelijktijdig met haar overlijden verscheen van dichteres Lieke Marsman (1990-2026) haar laatste bundel. Nu ja, ‘bundel’ suggereert dat het een bundeling is van afzonderlijke gedichten. Dat is niet het geval. Het is één doorlopend dichtwerk. Van grote allure.
Zet een dichter en een theoloog bij elkaar en laat ze praten over God en geloof – dat is het concept van dit boek. Christian Wiman is de dichter, in Nederland bekend geworden van ‘Mijn heldere afgrond’. De theoloog is Miroslav Volf. Van hem verschenen ook meerdere boeken in Nederland.