HERMAN DE CONINCK

Hij had gehoopt dat het zonder herfst kon.
Ineens sneeuw. De ascese van wit. De precisie van kou.
Minder moet zorgen voor betekenis,
meer moet ervan genezen -

en dat het dan gedaan was. Niet dit maanden-
lange afhaken van laatste blaren, uitsorteren
van rommel, zó eindeloos uitpakken met gemis
dat je de blaren terug zou hangen aan hun takken.

Hij had gehoopt dat het zonder verzuren kon.
Maar de hele tuin ligt te gisten van uren
regen, en bijna te sissen van één minuut zon.
O, toen alles nog voorbij kon gaan en niets hoefde te duren.

Uit: De gedichten 1 (1998)

Ik ben een melancholisch mens. Weemoedig is ‘my middle name’. Als een liedje een zachtaardig toon van verlangen naar voorheen aanslaat, heb je mij. Zet bijvoorbeeld ‘Orly’ van Jacques Brel op en ik ben verloren. Zo zou ik een top 100 samen kunnen stellen.

Bij gedichten hetzelfde. Maar bovenstaand titelloze gedicht kende ik nog niet. Ik hoorde het op ‘De poëziepodcast’. De journalist John Jansen van Galen had het gekozen. Toen hij het voorlas trof het me meteen. En natuurlijk zocht ik het daarna op in het werk van Herman de Coninck.

De Belg De Coninck en Menno Wigman zijn mijn favoriete Nederlandstalige dichters. Je kunt hun gedichten ( horen voor)lezen en meteen geraakt worden door een passage of regel. In bovenstaand gedicht gaat het natuurlijk over de seizoenen én over het leven zelf. Dat je het verval of verlies het liefst over zou willen slaan: ‘dat je de blaren terug zou hangen aan hun takken.’ Wat een zin!

Maar die laatste regel… Ik voel ‘m in mijn middenrif. Omdat ik zelf ook ouder word?