Hoe spreken wij over God?
‘PKN-synode bezint zich in november op ‘spreken over God’ kopt het Nederlands Dagblad deze morgen. Mijn hart sprong hoog op in mij: eindelijk gaan we ons bezinnen op de belangrijkste vraag die er in de kerk toe doet! Welke vraag dat is? Deze natuurlijk: hoe brengen wij in onze cultuur God zó ter sprake dat gelovigen en ongelovigen ervan ophoren?
De formulering van die vraag is overigens niet van mij. Ze is van Okke Jager. Hij gebruikte die in een boek uit 1988. Toen al constateerde hij dat bij het zoeken naar een antwoord op die vraag alle wegen waren doodgelopen. Sindsdien zijn we alleen nog maar verder in het slop geraakt. Kerken worstelen om zelfbehoud en laten daardoor hun stem niet meer horen of doen dat zo clichématig dat iedereen het gevoel heeft: ja, ja, dat kennen we nu wel. Maar hoera: mijn kerk gaat nadenken over het spreken over God! We worden weer missionair!
Maar meteen al in de eerste alinea van het bericht werd er een domper op mijn vreugde gezet. Het blijkt dat de bezinning zal moeten gaan over hoe er in de kerk gesproken kan worden over God. Let op de woordjes ‘in de kerk’ en ‘kan’. Ik loop te lang mee om het addertje onder dat gras over het hoofd te zien. Onder die woorden steekt de krampachtige houding die ik inmiddels zo goed ken: het zal gaan over welke opvattingen er wel en niet kunnen.
Ondanks het feit dat de woordvoerder van de PKN het ontkent, lijkt deze bezinning vooral ingegeven door de zaak Hendriks, u weet wel: die atheïstische dominee die zoveel stof deed opwaaien. Wel, als dat inderdaad zo is, dan zal de bezinning een vreugdeloze aangelegenheid worden. Het bedoelde gesprek zal verlamd worden door de angst voor ketterse opvattingen binnen de kerk. Die kramp houdt velen gevangen. Niet alleen de orthodoxen. Door de groeiende invloed van het orthodoxe smaldeel hebben anderen het gevoel dat ze moeten oppassen wat ze zeggen: er is immers een maat waarmee je gemeten wordt. Of zij gooien hun kont tegen de krib – zoals Hendriks die alleen maar uit lijkt op provocatie.
Van die kramp in de kerk zouden we eindelijk eens verlost moeten worden. Dat kan door een houding die erkent dat er ketterse opvattingen zijn, maar dat we daarmee de ketters nog niet de kerk uitgooien. Ik huldig het standpunt van de Engelse dichter en orthodox gelovige T.S. Eliot (1888-1965) die meende dat de kerk haar ketters nodig heeft om haar scherp te houden. Die ontspannen houding geeft vervolgens ruimte voor een heel andere vraag. De belangrijkste vraag is dan namelijk niet meer: hoe houden wij het spreken over God binnen de lijnen van het kerkelijk aanvaardbare? -, maar: hoe wordt ons spreken over God weer sprankelend?
Dat kan alleen wanneer wij de Schrift zelf gaan lezen in het licht van die genoemde vraag ‘hoe spreken wij zó over God dat anderen ervan ophoren?’ De Schrift moet onder onze vastgelopen posities vandaan gehaald worden. Dan pas gaan wij zaken ontdekken waar wij ook zelf van opkijken. En alleen die zaken zijn de moeite van het doorgeven waard, niet de zaken waarvan wij denken 'Ja, allicht is het zo'. Hoe zei Paulus het ook alweer? O ja: Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos (Kolossenzen 4,6 – NBG51). Het grootste gevaar schuilt niet in de opvatting van de ander, maar in onze eigen voorspelbaarheid.
Meest gelezen
Misschien hebt u dat ook weleens: je moet bijvoorbeeld naar de dokter, en je neemt je voor om dit te vragen en dat, maar na afloop ben je toch weer iets vergeten. Stom, stom, stom! Ik had me net zo goed voorbereid! Ja, kennelijk... Lees de hele column »
Ik verblijf op dit moment een aantal dagen in een klooster. Dat doe ik ieder jaar. Dit keer ben ik in Averbode, België. Samen met mijn broer. We zijn er al vaker geweest. Onze zwager was er toen ook bij, maar die moet dit jaar... Lees de hele column »
‘Een broedende kip moet je niet storen,’ luidt een gezegde. Dat geldt ook voor de broedende zwaan in de vijver voor ons huis. Toen er op Koninginnedag een demonstratie van modelboten gehouden werd, en de zwaan die... Lees de hele column »